Specials

Bekroond met de gemeentelijke Cultuurprijs 2018

Bekroond met de Cultuurprijs van gemeente Tessenderlo, 19/02/2019


Eerste prijs in de verhalenwedstrijd van Plus Magazine

Jo Claes en Luce zwartwit

In samenwerking met uitgeverij VBK en haar succesauteur Jo Claes organiseerde Plus Magazine eind 2017 een schrijfwedstrijd voor haar lezers. Auteur Jo Claes schreef het begin van een verhaal dat de deelnemers moesten voltooien. In april 2018 werd de versie van Loes bekroond met de eerste prijs.

Hier de aanzet door Jo Claes en het vervolg dat Loes eraan breide:

Jo Claes: Het begon met een pakje, niet veel groter dan een luciferdoosje. Nog voor ze uitstapte, zag ze het al door het lifthek op de mat voor haar deur liggen. Er zat bruin inpakpapier rond en op de bovenkant stond haar naam in drukletters. Alleen haar voornaam: ROSANNE. Een adres ontbrak, een postzegel ook.

Binnen maakte ze nieuwsgierig het pakje open. Er zat een stuk van één euro in. Dat was alles. Geen briefje, geen mededeling, geen naam van de afzender. Ze begreep het niet. Waarom stuurde iemand haar een euro en hoe was het pakje op haar mat beland? Ze woonde op de tweede verdieping van een oud herenhuis dat in zes flats was verdeeld, zonder sleutel kwam je het gebouw niet in. Had iemand van de buren het pakje voor haar deur gelegd? Wie? Ze huurde de flat nog maar een week en kende niemand van de vijf andere bewoners, behalve de man van de derde verdieping met wie ze een paar dagen geleden in de lift had gestaan en die de hele tijd naar de vloer had gestaard zonder ook maar één woord te zeggen. Van echt kennen was dus geen sprake.

 

Twee dagen later, op vrijdag, lag er een enveloppe voor haar deur. Een gewone witte enveloppe met opnieuw alleen haar voornaam. Er stak een briefje van vijf euro in en weer maakte de afzender zich niet bekend of gaf een verklaring voor het geld.

Wat was dit? vroeg ze zich af. Een flauwe grap? Kende een van haar vriendinnen iemand in het gebouw die bereid was dit spelletje mee te spelen? Ze deed overal navraag: in haar kennissenkring, op het werk, bij haar familie. Iedereen hield bij hoog en bij laag vol niets met de zaak te maken te hebben.

 

De volgende maandag lag er opnieuw een pakje, ongeveer zo groot als een Rubiks kubus en weer in hetzelfde bruine inpakpapier zonder adres of postzegel. Binnenin zat een klein, glazen jampotje dat gevuld was met stukken van één euro. Haar handen trilden toen ze het deksel openschroefde. Ze telde. Het waren er tien.

Alles samen had iemand haar tot nu toe zestien euro bezorgd, toch een aardige som om alleen maar een grap uit te halen. Wie deed dit? En met welke bedoeling? Moest ze hiermee naar de politie gaan en klacht indienen tegen onbekenden? Om welke reden? Dat iemand haar geld stuurde? Ze zag de dienstdoende agent al voor zich. Die zou met moeite zijn gezicht in de plooi kunnen houden.

De volgende drie dagen keek ze telkens, nog voor ze uit de lift stapte, met toenemende onrust naar de mat voor haar deur, maar er lag nooit iets. Tot op vrijdag. Haar hart sloeg op hol. Dit keer was het ding zo groot als een schoenendoos.

Vervolg door Loes:

Rosanne tilde het pakje voorzichtig op. Het woog beslist meer dan een paar schoenen. Was zij nu vooral nieuwsgierig naar de inhoud, of verontrust omdat zij geen flauw vermoeden had wie de geheimzinnige schenker kon zijn? Zij dwong zichzelf eerst een kop koffie te zetten en dan pas het pakpapier open te scheuren. De stevige, karamelkleurige doos die tevoorschijn kwam rook vaag naar lavendel. Waar ooit een koppeltje schoenen of pantoffels op zijn zij te rusten had gelegen, stonden nu tien glazen kruidenpotjes netjes per twee in de rij, omhuld met vloeipapier. In elk potje telde Rosanne precies tien muntjes van twintig cent,als een rolletje dropjes in een wikkel gedraaid. Dat moest het werk zijn van een vrouw, dacht Rosanne. Het getal dat op de zijkant van de schoenendoos nog vaag leesbaar was, versterkte haar vermoeden. Zevenendertig, een damesmaat. Uit de stevigheid van de doos leidde Rosanne af dat het om een zevenendertig van gedegen afkomst moest gaan.

In het gebouw was zij nog geen enkele dame tegengekomen. De bovenbuur had nog steeds geen behoeft aan nadere kennismaking getoond. Een veertiger met een autismespectrumstoornis, concludeerde Rosanne. Zij bleef hem vriendelijk goeiemorgen of goedenavond wensen als ze toevallig de lift deelden, maar de enige respons die zij kreeg was een nauwelijks merkbare hoofdknik. Volgens de man van het kantoor dat voor de verhuring zorgde, werd de andere flat boven haar betrokken door een jonggepensioneerd koppel dat slechts een paar weken per jaar in het land was. Met dat echtpaar deelde Rosanne een opslagruimte in de kelder, daarom kreeg zij van de makelaar wat informatie over hen los.

 

Over de andere bewoners bewaarde hij strikte discretie. In het weekend ving Rosanne een paar keer een vage glimp op van haar naaste buur: een leeftijdloos, gedistingeerd heertje dat ’s morgens erg vroeg vertrok en wellicht in de vooravond al onder de wol kroop. Hij gebruikte zijn warme maaltijden buitenshuis ofwel leefde hij op boterhammen, meende Rosanne. Haar gevoelige neus kon immers geen vleugje etensgeur detecteren op hun gemeenschappelijke overloop. Wie in de twee flats onder haar woonde, bleef vooralsnog een compleet raadsel. Af en toe was er wat geschuifel te horen of, heel vaag, een flardje klassieke muziek. Het leek ook alsof zij de enige was die bezoek kreeg: haar ouders en broer die hadden geholpen bij het inrichten van de flat, een paar vriendinnen die een keer overgekomen waren uit haar geboortedorp om samen met haar de stad te verkennen. Als pas afgestudeerde kon zij aan de slag op een notariskantoor, een kans die zij niet wou laten schieten al kende zij geen levende ziel in de hoofdstad. Dat het zo stil was in haar nieuwe woonst verwonderde haar, maar als plattelandskind hield zij wel van rust. Zij had zich mentaal voorbereid op exotische buren en nachtlawaai. En nu belandde zij in een heel ander decor: grijze muizen, stilte, afwezigheid en afstandelijkheid, en in schril contrast daarmee: geheimzinnige generositeit. Enerzijds vond Rosanne die pakjeshistorie best spannend, maar anderzijds had die ook een spooky kantje. Wat was de bedoeling? Werd er iets van haar verwacht? En vooral: iemand eigende zich een rol toe in haar leventje zonder open kaart te spelen. Wat wist die onbekende van haar? En hoe ver zou hij – nee, wellicht zij- gaan?

Zes dagen gingen voorbij zonder pakje voor deur. Misschien had het uitblijven van commotie ervoor gezorgd dat de geheimzinnige pakjesleverancier het opgaf, dacht Rosanne. Op het notariskantoor beschouwde men haar intussen als ingewerkt en zij kreeg steeds meer verantwoordelijkheid toegeschoven. Met haar gedachten nog bij de dossiers stapte zij op vrijdagavond uit de lift en pas toen zij er vlak voor stond merkte zij het uit de kluiten gewassen pak dat tegen de deur aanleunde als een kat die binnengelaten wenst te worden.Als ik verstandig was zou ik dit niet openmaken, dacht Rosanne. Wie weet waren de vorige pakjes bedoeld om haar vertrouwen te winnen en zou er zo dadelijk een bom ontploffen als zij deze verrassing openmaakte. Haar nieuwsgierigheid won het echter van het sprankeltje achterdocht in haar brein. Dit keer prijkte niet alleen haar naam op het pakpapier. ‘Bovenkant’, in sierlijke hoofdletters stond het daar, met een knipogend uitroepteken erachter. Rosanne nam niet eens de tijd om haar mantel uit te trekken. Zij schoof de doos over de drempel naar binnen en sneed ze in enkele halen open. ‘Te gek’, was haar reactie en zij schoot in de lach. In een zinken bloempot gevuld met wit zand waren zeven groene stokjes geplant. Op het uiteinde van elk stokje zat een papieren roos. Elke bloem bleek geplooid uit een briefje van vijf euro met eentje van tien euro eromheen. Een creatieve geest die dit had verzonnen… Zij voelde zich uitgedaagd om een tegenzet te doen. Iemand die je bedacht met meer dan honderd euro kon je toch niet blijven negeren. Misschien was de gever wel geestelijk gestoord, maar het zag er niet direct naar uit dat zij in levensgevaar verkeerde. Af en toe moest een mens toch een berekend risico durven nemen?

Op maandagochtend liet zij een enveloppe achter voor haar deur, ‘Voor X, van Rosanne.’Binnenin stak een handgeschreven briefje. ‘Bedankt voor de attenties en de bloemen. Zaterdag om 14 uur staat de koffie klaar.’ Een week lang verzon haar verbeelding de gekste scenario’s. Zij had in haar jonge leventje al honderden films gezien, van romantische komedies tot staalharde actiefilms, en die leverden nu brandstof voor haar fantasie. In de nacht van vrijdag op zaterdag deed zij van opwinding haast geen oog dicht. Hoe zou zij reageren op een weirdo? Wat zou zij aanvangen met een geheime bewonderaar? Moest zij uit veiligheidsoverweging toch maar haar mobieltje aanzetten en iemand vragen om mee te luisteren?

 

Dertig minuten voor het uur van de waarheid posteerde Rosanne zich in de portiek van een flatgebouw schuin tegenover haar woonst. Van daaruit kon zij zien wie er bij haar aanbelde zonder zelf opgemerkt te worden. Gelukkig had zij zich warm ingeduffeld want bijna een uur later was er nog niemand opgedoken. Dit was zo’n film die veelbelovend begon maar in de tweede helft uitdoofde als een kaars, dacht Rosanne. Zij snakte naar koffie om de spanning weg te spoelen en trok naar boven. Maar nauwelijks had zij deur achter zich dichtgetrokken of de bel ging. Het spelletje had nu lang genoeg geduurd, vond zij, licht gepikeerd. Ze roffelde de trap af en gooide de statige voordeur open. Niemand te bespeuren… toch niet op straat. De deur van de rechtse flat op de benedenverdieping stond op een kier en ging langzaam open. Een oude, magere man met ingevallen wangen verzocht haar zachtjes om binnen te komen. “Ik ben X,” bekende hij met een verontschuldigende glimlach, “het is te zeggen: de helft van X.”

Mijnheer X bleek niet goed te been te zijn. Een nog kranige dame van naar schatting vijfenzeventig serveerde koffie met cake en schoof stilzwijgend bij aan tafel. “Ik ben Gustave Collier,” stak Mijnheer X van wal. “Samen met mijn vriend Karel had ik een kledingzaak in de stad. Rosa is de jongere zus van Karel.” De oude man knikte minzaam in de richting van de dame. “Zij is de andere helft van het verbond dat jij X hebt gedoopt. Rosa is de enige die het wist, maar Karel en ik waren niet alleen zakenpartners. Wij waren een koppel. In onze tijd kon je daar nog niet mee naar buiten komen. We woonden hier als buren naast mekaar. Vijf jaar geleden is Karel overleden. Omdat zij begreep hoe eenzaam ik achterbleef, is Rosa in zijn flat komen wonen.” De oude man streek heel even vermoeid over zijn ogen maar glimlachte dan alweer. “Dit herenhuis kochten Karel en ik samen, vele jaren geleden. Rosa heeft Karels helft geërfd, maar die aan mij verkocht. Sinds kort weet ik dat ik niet lang meer te leven heb: longkanker met metastasen. Rosa heeft nu een flatje in De Panne op de kop getikt. Zij neemt me mee om mijn laatste maanden van de zeelucht te genieten. Nou ja, genieten… Mijn papieren liggen klaar voor als het te lastig wordt. Eén zaak moet ik nog regelen. Dit huis moet een nieuwe eigenaar krijgen, eentje die het een warm hart toedraagt. En het lot heeft precies op het goede moment zo iemand hiernaartoe geleid.”

Mijnheer Gustave keek Rosanne nu vastberaden aan. “Ik kon de gesprekken horen die jij hier aan de voordeur en in de hal voerde met je familie en vrienden. Je appreciatie voor dit huis viel me op. Ik ving ook op dat je bij een notaris werkt, je bent vertrouwd met testamenten. “De blik van de oude man werd dromerig. “Je hebt bovendien dezelfde naam als mijn beschermengel Rosa, dat alles kan geen toeval zijn. Rosa heeft ons plan uitgewerkt om je ongemerkt nog wat beter te leren kennen. Je blijkt wel van een uitdaging te houden. Je geeft onbekenden het voordeel van de twijfel. Jij bent de kleindochter die ik mezelf toewenste maar door mijn geaardheid nooit zou krijgen.”

Luc Janssen

Interview: Luce Rutten, foto: Danny Louwet, november 2014

Radiomaker LUC JANSSEN: van rebelse pionier tot stijlgoeroe

Afgelopen zomer werd Luc Janssen zestig. Een uitgelezen moment om samen met hem een terugblik te werpen op zijn bewogen carrière als radio- en televisiemaker en op zijn staat van dienst als festivalpresentator. De Bekende Vorstenaar zal de geschiedenis ingaan als een rebelse pionier. Op het College in Looi werd hij indertijd op de vingers getikt voor zijn stoute teksten in het schoolblad. In de aanloop naar de eeuwwisseling introduceerde hij op de Vlaamse radio ongekende sounds die de doorsnee burger als ‘industrieel lawaai’ in de oren klonken. Bovendien kruidde hij zijn bindteksten met controversiële uitspraken. Maar dan begon het plaatje – of was het een Dominoblokje? – te kantelen. Meer en meer jongeren beschouwden ‘Crapuul de Lux’ Janssen als hun gids. De Nederlandse radio haalde hem binnen als een trofee. Onlangs stelde de VRT Luc Janssen zelfs aan als stijlcoach van Radio 1. En het Pius X College nodigt hem uit als spreker op de academische zitting ter gelegenheid van haar zilveren jubileum. Brave jongens komen in de hemel, maar pittige jongens komen het verst.

Toen de kleine Luc Janssen aan de lagere school begon, werd zijn moeder benoemd tot postmeester van Vorst-Laakdal. Het gezin verhuisde van het stadse Mol naar de boerenbuiten in Groot-Vorst. Omdat zijn ouders niet veel vertrouwen hadden in een ‘gemeenteschool’, werd zoonlief ingeschreven in de bassischool van het St.-Aloysiuscollege in Geel. Dat werd pendelen met de bus. Een hele aanpassing voor zo’n kleine gast. Op zijn twaalfde moest hij wéér tussen onbekenden aarden. Boezemvriend Stefan Vankrunkelsven en de andere kameraadjes van Vorst trokken traditiegetrouw naar het college van Diest. De schoolmaten van Geel schoven gewoon een speelplaats op. Maar de pastoor van Vorst slaagde erin om Luc en zijn buurjongen te ronselen voor een nieuw college in Tessenderlo: Sint-Barbara, later omgedoopt tot Pius X.

Luc Janssen: “Ik vond dat heel speciaal, zo’n nieuw college. Ik behoorde tot de derde lichting die er startte, allemaal jongens. Het eerste jaar zaten wij nog in een gebouw op het Solveld, waar nu Tegelhandel Hoedmakers gevestigd is. De derdejaars waren gehuisvest in wat ze ‘het Stalleke’ noemden, bij het station. Tegen mijn tweede jaar was de nieuwbouw klaar, op de huidige locatie recht tegenover de fabriek. De leerkrachten waren stuk voor stuk enthousiaste jonge mannen met vooruitstrevende ideeën. Zij gunden ons veel kansen op persoonlijke ontplooiing, maar tegelijkertijd waren er ook wel strenge regels. Dat college moest nog gehomologeerd worden, dus moesten schriften en agenda’s tiptop in orde zijn. De school wou ook een goede reputatie verwerven. Daarom moest je fatsoenlijk gekleed zijn en je behoorlijk gedragen, daar keek Pater Directeur persoonlijk op toe.

Dit jaar viert het college zijn vijftigste verjaardag en op de viering mag ik een woordje komen placeren. Het College is nu flink uit de kluiten gewassen, maar ik heb het dus nog meegemaakt als piepkleine school-in-kinderschoenen. Er was alleen een Latijn-Griekse en een Moderne die in de hogere jaren leidde naar de ‘Wetenschappelijke B’. Iedereen kende er iedereen. Gezellig, maar het had ook zijn nadeel: je kon niets mispeuteren of iedereen wist het. In mijn klas zijn we met 13 afgestudeerd. Pater Vanlandeghem noemde ons zijn ‘vijfde legioen’ omdat wij zo’n kleine hechte groep waren in de Latijnse.”

Waren er destijds veel paters actief op het college?

Luc Janssen: “Een zijvleugel van het schoolgebouw deed dienst als klooster. Daar woonden drie paters Redemptoristen: Pater Directeur, Pater Vanlandeghem, die Latijn en godsdienst onderwees, en een derde, wiens naam ik niet meer ken. Dat was een toffe gast. Hij gaf geen les maar sprong op woensdagnamiddag wel bij in de naschoolse activiteiten. Ik volgde zeefdrukken. Soms trok die pater dan met ons in zijn Volkswagen Kever op uitstap, naar een zeefdrukatelier in het Brusselse bijvoorbeeld.

Pater Vanlandeghem was een legendarische figuur. Daar kan iedere oud-leerling je verhalen over vertellen. Waar nu de sportvelden zijn lag toen nog de ‘lusttuin’ van het rusthuis dat er geweest was. Daar stonden nog half ingestorte paviljoentjes en vervallen betonnen vijvertjes. Wij moesten, met zo’n 80 leerlingen waren we, tijdens de speeltijden helpen puin ruimen: alle bouwafval bij mekaar gooien. Tijdens de les zagen we hem daarna met de kruiwagen alles afvoeren. Hij zorgde dat die sportvelden er kwamen en is heel zijn leven een gedreven sportgangmaker gebleven.”

Een culturele veelvraat zonder dialect

Dat je op woensdagnamiddag niet ging sporten maar zeefdrukken, is al een richtingaanwijzer naar creatieve interesses. Is er in je kindertijd al ergens een kiem te vinden van wat je later professioneel zult doen?

Luc Janssen: “In tegenstelling tot de meeste kinderen, vond ik het geweldig om voor te lezen in de klas. In mijn tijd had je op zaterdag nog een halve dag les. Op de lagere school in Geel werd er het laatste uur van de week voorgelezen. Dan mocht ik samen met twee andere jongens omgekeerd op de bank komen zitten vooraan in de klas en uit Vlaamse Filmpjes voorlezen. Als uitgekozen lezer werd ik wel beschouwd als een ‘flebbeke van de meester’, maar het had ook te maken met mijn taal die niet zo dialectisch gekleurd was als van de andere leerlingen.

Door het switchen van Mol naar Vorst, Geel en Looi pikte ik nooit echt één bepaald dialect op. Als hele kleine jongen al werd ik bovendien onder de grote vakantie twee maand naar een vakantiekolonie gestuurd in Nieuwpoort. Daar zat je met kinderen van over heel Vlaanderen samen, je moest dus wel Algemeen Nederlands (ABN heette dat toen nog) spreken zo goed en zo kwaad als dat ging, anders kon je niet met mekaar communiceren. De eerste keer vonden mijn ouders het verschrikkelijk om mij naar dat kamp te brengen, maar ik vond het er fantastisch. Toen ik na de vakantie thuiskwam sprak ik geen dialect meer en was ook mijn Kempische tongval afgevlakt. In de oren van de meesters op school had ik daardoor waarschijnlijk een mooiere uitspraak dan de meeste klasgenootjes. Ik vermoed wel dat die voorleeservaring later in mijn voordeel gespeeld heeft. Als men je als kind vertelt dat je ergens goed in bent, beïnvloedt dat later bewust of onbewust je keuzes.”

Volgens de klasgenoten van het college was je als tiener ook al veel sterker cultuurminded dan de anderen. Wat moet ik me daar bij voorstellen? Liep je schouwburgen, cinema’s en musea plat?

Luc Janssen: “Ik had een hele brede interesse, maar wij hadden hier op het platteland destijds weinig mogelijkheden, de cultuurtempels lagen ver weg in de stad. Ik pikte gewoon mee wat ik maar kon. Als kind wou ik eigenlijk architect worden. Architectuur is mij altijd blijven boeien. Ik kan op vakantie vele kilometers omrijden om een bepaald gebouw te zien. Ook schilderkunst en andere beeldende kunst sprak mij al erg aan in mijn collegetijd. Film ook, maar minder. Toen ik in Brussel dramaturgie studeerde hoorde ‘film’ bij de opleiding: we kregen een vak dat ‘scenario’ heette. Je kreeg ook een pas om gratis naar het Filmmuseum in de stad te gaan. Ik heb dan de hele filmgeschiedenis op vier jaar tijd ingehaald. Ook omdat ik wel voelde dat er buiten de moeilijke, zware, vaak zwart-witfilms die we op school zagen (‘Elektra’ en zo) nog zoveel mooie prenten bestonden. Daarnaast heb ik nog menig vrij uurtje rondgehangen in het Paleis voor Schone Kunsten en in galerijtjes.

Voor toneel had ik eigenlijk geen interesse. Ik heb wel dramaturgie gestudeerd maar ben na mijn afstuderen nooit meer naar het theater geweest. In de jaren ’70 was toneel echt ‘repertoiretoneel’, de klassieke stukken van Ibsen, Tsjechov en zo. Waarin ik wel geïnteresseerd was, en waarover ik ook mijn thesis gemaakt heb is: performancekunst, die leunt wel aan bij theater maar gaat toch meer de richting beeldende kunsten uit. Performance was nog heel nieuw. Zo’n nieuwe tendensen oppikken in cultuurland, dat was wel mijn ding.”

Greep je ook naar boeken om je culturele honger te stillen?

Luc Janssen: “Mijn ouders omringden zich gretig met boeken. En om de paar maand stond er iemand voor de deur met een nieuw deel van de Grote Winkler Prins Encyclopedie, de alwetende Google van die tijd. Ik heb die boeken ook echt gelézen. Als er dan op school over een beroemd beeldhouwwerk van Zadkine werd gesproken, kon ik me daar iets bij voorstellen, want ik had de afbeelding al gezien. Ik heb indertijd ook de hele dorpsbibliotheek van Vorst leeg gelezen. Op mijn veertiende mocht ik van de hoofdonderwijzer achter de balie tegen de voorschriften in aan de lectuur voor volwassenen beginnen, omdat ik de rest al allemaal achter de kiezen had. De liefde voor de boeken is sindsdien altijd gebleven. Mijn kinderen zijn groot geworden in een huis dat meer op een boeken-en-platenkast leek dan op een gewone woning.”

Van welke muziek hield je als jongere?

Luc Janssen: “Ik luisterde zoals iedereen van mijn leeftijd naar de gewone popmuziek op de radio. Mijn beste vriend uit die tijd, Robby Theys, had een oudere zus die een grote fan was van The Beatles. Op woensdagnamiddag ging ik soms ten huize Theys naar haar platen luisteren.

Misschien moeilijk te geloven voor mensen die mijn latere muziekprogramma’s op de radio kennen, maar in die tijd hield ik me toch vooral met kleinkunst bezig. Veel kleinkunstenaars kwamen ook hier in de streek optreden. In de Minimax in Vorst zag ik Lamp, Lazarus en Kris. In zaal St.-Martinus in Tessenderlo organiseerde het Davidsfonds optredens van Kris De Bruyne, Wim De Craene en vele anderen. Ook hier in de parochiezaal van Vorst kwamen kleppers als Johan Verminnen en Zjef Vanuytsel op het programma. Zelfs Jeugdhuis De Piepeling in Hulst, waar mijn jaargenoten Marc Briers en Jos Nuyts actief waren, bracht bekende namen naar hier.

Zjef Vanuytsel vond ik heel speciaal, omdat hij een streekgenoot was – net als ik afkomstig uit Mol – en bovendien voelde ik een zekere band met hem door een gebeurtenis van een paar jaar voordien. In het derde middelbaar had ik een klein bandopnemertje gekregen. Ik ben dan op een zondagmiddag met de fiets naar Meerhout gereden voor een interview met Zjef Vanuytsel. Zjef woonde daar ‘op de Berg’, dat had ik nagevraagd, in een klein huis. Ik belde daar aan en zijn moeder zei “Ja manneke, onze Zjef diejen is in Brussel. Dieje zit daar op school.” Zjef ging namelijk naar Sint-Lucas en kwam niet elk weekend naar huis. Ik heb nooit dat interview kunnen afnemen. Maar ik had blijkbaar toen al wel de goesting en ook het lef om dat soort dingen te doen.”

Hoe kwam je op de idee om een zanger te gaan interviewen?

Luc Janssen: “In die tijd schreef ik artikeltjes en interviews voor het schoolblad, dat ‘Wij’ heette. Ik zorgde ook voor tekeningen bij de teksten en er kwamen zelfs strips in. Met zes leerlingen vormden we de redactie en leerkracht Ward Hermans, zelf een soort zachte anarchist, hield een beetje toezicht als hoofdredacteur, maar liet ons toch heel vrij. Die vrijheid heeft wel ooit tot problemen geleid. Ik had een klassiek gedicht uit de middeleeuwen bewerkt zodat het verwees naar onze school en onder meer naar Pater Vanlandeghem. Ik heb mijn excuses moeten aanbieden en ook onze hoofdredacteur werd op het matje geroepen voor zijn gebrek aan censuur. Maar Ward Hermans ben ik altijd dankbaar gebleven voor de kansen die hij ons bood. Hij heeft ongetwijfeld zijn stempel op mij gedrukt.”

Een goeroe die de weg wees

Op je achttiende trok je naar het RITS in Brussel en daar koos je voor de richting Dramaturgie. Maar je hield niet van toneel. Vanwaar dan die keuze?

Luc Janssen: “Eerst wou ik graag architect worden. En dan ontdekte ik dat er ook zoiets bestond als ‘scenografie’, decors ontwerpen, ook een vorm van architectuur. Dat leek mij ook wel interessant, al wist in niet precies wat het inhield. Met die richting in het achterhoofd ging ik ingangsexamens afleggen aan het RITS (dat toen nog RITCS heette: Hoger Rijks Instituut voor Toneel en Cultuurspreiding, nvdr). Die examens duurden een hele week. Iedereen kreeg een laatstejaarsstudent toegewezen als begeleider tijdens die week. Ik was erg onder de indruk van mijn ‘peter’, een fascinerende figuur met een opvallende stem. “Gij moet toneel doen,” zei hij tegen mij. “Scenografie geven ze hier niet en in de andere richtingen zijn de groepen veel te groot.” Omdat hij zo’n indruk op me maakte, volgde ik zijn advies. Achteraf bleek dat hij mij op het oog had voor een rol in zijn afstudeerproject, een stuk van Hugo Claus. Die man was Marc Didden…”

Heb je achteraf geen spijt gekregen van die toch wel impulsieve studiekeuze?

Luc Janssen: “Hoewel ik niets met toneel had, bleek Dramaturgie een razend interessante richting te zijn. Ze heeft alles met taal te maken: scenario’s schrijven, teksten en dialogen verzinnen… We hadden ook veel vakken gemeenschappelijk met de richtingen ‘Radio en Televisie’ en ‘Film’. Een heel boeiende, brede kunstopleiding, zo bleek. Het vak van dramaturg heb ik nooit uitgeoefend. Maar de band met Marc Didden is altijd gebleven. Toen Marc voor Humo ging schrijven ontdekte ik via hem dat er ook een heel ander soort muziek bestond dan die van de reguliere hitparades. Marc trok geregeld naar Londen. Dan bracht hij platen mee van vernieuwende, hier nog onbekende muzikanten en groepjes. Iedereen komt in zijn leven wel een paar keer iemand tegen die beslissend is voor het parcours dat hij of zij verder zal afleggen. Voor mij is Marc Didden zeker een van die ‘goeroes’ geweest.”

Lucky Luc in Radioland

Toen Luc Janssen afstudeerde, midden de jaren ’70 van de vorige eeuw, was de jeugdwerkloosheid hoog. Met een artistiek diploma op zak een baan vinden waarmee je genoeg centjes kunt verdienen voor huisje-tuintje-kindjes, daar kon je alleen maar van dromen. Zoals haast iedereen moest hij eerst een tijd gaan ‘doppen’. Af en toe kreeg hij een kleine opdracht toegeschoven, zoals kabels slepen bij de BRT of de prijzenkast vullen voor de quiz van Mike Verdrengh. Omdat hij vaardig was met de tekenpen mocht hij badges ontwerpen voor de deelnemers aan diverse tv-programma’s. Samen met een vriend heeft hij ook een poosje op verzoek badges geproduceerd voor studenten. Maar de schamele opbrengst van die handenarbeid werd steeds stante pede uitgegeven aan concerten, platen en boeken. Luc was intussen getrouwd met zijn jeugdliefde Lutgard. Samen met zoontje Eppo (°1976) woonden ze in een huurhuis in Leuven. Lutgard werkte bij Bloso. Zij zorgde voor een vast inkomen. En dan, eind jaren ’70, kon Luc aan de slag als radiopresentator. Zijn boeiende maar soms bewogen carrière ging van start.

Luc Janssen: “Ik ben begonnen op Radio 1 met het presenteren van het chansonsprogramma ‘Van minne en zinnenstrelend’ en ook ‘De ochtend’. In de ochtenduren moest je toen nog om de tien minuten zeggen hoe laat het was. Omdat ik niet zo goed was in kloklezen zijn er in die tijd waarschijnlijk veel mensen ofwel te vroeg ofwel te laat op hun werk verschenen. Daarna trok ik voor een halfjaar naar de Wereldomroep. Daar heb ik mensen als Gust Decoster en Marcel Vanthilt leren kennen. En in 1980 verhuisde ik naar Omroep Brabant op het Flageyplein. Daar heb ik tien jaar ‘Domino’ gepresenteerd, een programma rond progressieve muziekgenres zoals new wave en industriële muziek. Achteraf gezien was het veel meer dan zomaar een radioprogramma. Er zijn heel wat mensen, veertigers en jonge vijftigers, die mij nu nog komen vertellen dat de muziek die ik daarin draaide een grote impact op hen heeft gehad. Er zijn zelfs een paar schrijvers zoals Paul Mennes, Peter Verhelst en Jeroen Olyslaegers die verkondigen dat zij nooit boeken zouden zijn gaan schrijven als zij mij toen niet bezig gehoord hadden op de radio. Via mij konden zij kennismaken met vernieuwende tendensen in de muziek maar ook met de hele cultuur inclusief het taalgebeuren daaromheen.”

Vanaf 1980 ben jij dé vernieuwer in het Vlaamse radiolandschap geworden. Waar haalde jij je mosterd?

Luc Janssen: “Via artiesten die ik in Brussel had leren kennen, kon ik contacten leggen met weer anderen. Toen het programma bekendheid had opgebouwd, kreeg ik cassettes en platen toegestuurd vanuit binnen- en buitenland. Ik kocht ook zelf veel aan in speciaalzaken in Brussel en Amsterdam, vaak dingen waarvan er maar een paar exemplaren voorhanden waren. Die 10 jaar Domino waren zodoende geen vetpot, maar het was heel fijn en spannend om van op de eerste rij de innovatie te kunnen volgen. Het was ook leuk om artiesten zoals Jim Kerr van The Simple Minds te leren kennen lang voor ze grote sterren werden. Je betaalde hun pintje als je ze interviewde en kreeg een gemeend ‘Thank you, sir’. Later, als zij al naam gemaakt hadden, kwamen die je dan opzoeken als ze in het land waren. Maar tegenwoordig zou dat niet meer lukken, zo’n gezellige informele contacten, nu moet je via een reeks managers voor een afspraak.”

Niet alleen de muziek die Luc Janssen draaide, maar ook zijn manier van presenteren was innoverend. Alternatieve, revolutionaire sounds vragen nu eenmaal om een andere vorm van aankondiging dan conventionele songs. Luc durfde al eens met rebelse uitlatingen om zich heen meppen en dat zorgde dan voor lichte ophef in medialand. En soms was hij ronduit stout. Er is het beruchte scheet-incident…

Luc Janssen: “Een grap met desastreuze gevolgen, in ‘De nachtradio’ op Omroep Brabant, rond 1 uur ’s nachts op een zaterdag in 1983. De vrije radio’s kwamen op. Ik vond dat nogal platte radio dus dacht ik: “daar maak ik een parodie op.” Ik draaide de plaat ‘De scheet van de week’ van Kooten en De Bie en koppelde er een spelletje aan: “We hebben hier een windmeter staan. Wie de hardste scheet kan laten, wint”. Met meester Mark uit Vorst, bij wie Eppo in het eerste leerjaar zat, had ik het er de avond voordien bij pot en pint gekscherend over gehad dat stilaan ‘alles kon’ op de radio. En dan gaat hij, overigens als enige, op antenne écht in op die grap. Hij belt twee keer. De eerste keer ‘lukt het niet’ en hij belt later terug ‘om het opnieuw te proberen’. Er werd wat afgelachen tijdens die uitzending.

Maar op maandagochtend kreeg ik een telegram in de bus: mijn C4. Op staande voet ontslagen bij de BRT wegens onwelvoeglijk gedrag. Niet zo leuk, want wij hadden net gebouwd hier in Vorst. Ik heb dan maar met een aantal vrienden een eigen platenmaatschappij annex platenwinkel opgestart in Brussel om wat geld in het laatje te brengen. Maar dat was niet creatief genoeg, ik ben geen zakenman. Na 9 maand mocht ik opnieuw plaatjes draaien op de radio, maar dan non-stop: zonder een woordje uitleg tussen de nummers. Omdat de luisteraars me schriftelijk bestookten met vragen over die muziek, begon ik na een tijdje gewoon opnieuw te presenteren en daar heeft niemand nog een stokje voor gestoken.”

Vlaamse rebel verovert Nederland

In 1987 ben je ook deeltijds beginnen werken voor de Nederlandse radio, in Hilversum. Was het je ondeugende imago waar de Nederlanders op aasden?

Luc Janssen: “Er speelden een paar factoren mee. Ik was op dat moment naast radiopresentator ook producer van ‘Villa Tempo’, een tv-programma waarin Bart Peeters samen met Hugo Matthyssen en Marcel Vanthilt als ‘de Hermannen’ sketches opvoerden bij de optredens van de artiesten. Bij 3FM in Nederland had men mijn ongewone aanpak opgemerkt. Daarnaast was er die ‘Domino’ die zij ook kenden. Die vernieuwende muziek wilden zij ook draaien. Ze hadden wel John Peel, die vanuit Londen in het Engels voor hen een soortgelijk programma maakte en dat op bandjes opstuurde. Maar ik zou dat in het Nederlands kunnen doen. Ik ben zonder aarzelen op het voorstel van de VPRO-baas ingegaan. Op de BRT moest ik constant vechten om te mogen doen wat ik deed, en in Nederland zei men “wij hebben zo iemand nodig”. Dat heb ik tien jaar gedaan, de eerste vijf jaar pendelend, met overnachting in Amsterdam.”

En rond de eeuwwisseling heb je dan een thuisstudio gebouwd.

Luc Janssen: “Intussen had ik wekelijks drie avonden uitzending in Nederland. De hele week in Hilversum doorbrengen vond ik niet vol te houden. Doordat twee zonen het huis uit waren, had ik ruimte ter beschikking. Met een ISDN-telefoonlijn en twee computers heb ik zelf een radiostudio in mekaar gebokst. Ik kon in stereo opnames doorsturen en de luisteraars merkten geen verschil. Wel grappig als ik op een winterse avond na afloop van het programma sms’jes kreeg van bezorgde luisteraars die me aanmaanden om voorzichtig te rijden omdat het glad was. De Hollanders zagen dat thuiswerken natuurlijk ook wel zitten, het bespaarde hen een hoop kosten.”

Crapuul wordt lichtend voorbeeld

Op de Vlaamse radio is Luc Janssen intussen (in 1995) naar jongerenzender Studio Brussel verhuisd. Daar leeft hij zich uit in het lanceren van progressieve muziek en hij is niet vies van een controversiële bindtekst minder of meer. Met het programma ‘Crapuul de Lux’ verheft hij zijn bijnaam tot eretitel. Ook ‘Mish Mash’ kleurt nogal eens buiten de lijntjes. Wikipedia catalogeert het als ‘trashradioprogramma’, wat zoveel betekent als ‘door en voor het uitschot’. In 2006 zet Luc Janssen een punt achter de activiteiten in Nederland en loopt weer hele dagen rond op de VRT. Radio 1 engageert hem voor programma’s als ‘Helden’ en ‘Expo 58’, met muziek en duiding die stukken bedaarder klinken dan wat we van het enfant terrible gewoon waren. In 2007 wordt hij zelfs aangesteld als stijlcoach die de zender mag helpen hervormen. Met programma’s als ‘Het ABC van de Sixties’ (2013) en ‘De zomer van 2014’ lijkt hij zich wel tot de mainstream bekeerd te hebben. Is hij stilaan dan toch zijn wilde haren aan het verliezen?

Luc Janssen: “Je wordt ouder en je hebt een hoop ervaring. En ik weet natuurlijk dat Radio 1 een heel andere zender is dan Studio Brussel. Ik kies de muziek die ik draai ook niet meer zelf. Bij Radio 1 presenteer ik programma’s die door anderen samengesteld zijn. Zo werkt dat tegenwoordig. Je krijgt uiteraard wel programma’s toegeschoven die je liggen. Momenteel doe ik nog de Radio 1 Sessies, een muziekprogramma live opgenomen in de Toots Studio van de VRT. Die reeks loopt nog tot 17 november. En ik verzorg ook bijdragen voor andere programma’s. Mijn hoofdopdracht bij Radio 1 is die van stijlcoach. Dat betekent dat ik nieuwe presentatoren begeleid en voor een deel ook opleid. Ook alles wat de vormgeving van Radio 1 betreft, valt onder mijn verantwoordelijkheid. We hebben sinds september nieuwe tunes, die heb ik met een team helpen bedenken.”

Toen je achter het radiowerk voor Nederland een punt had gezet in 2006, verscheen je plots ook op het televisiescherm, met de cultuurprogramma’s LUX XL (twee seizoenen) en LUX (1 seizoen) op CANVAS. Jij was een door de wol geverfd radioman. Hoe heb je het verschil tussen tv en radio ervaren?

Luc Janssen: “Tv is, meer nog dan radio, groepswerk. Je werkt met een redactie die dingen voorbereidt. De impact van tv is ook veel groter, daar ben ik van geschrokken. Je wordt door de mensen op straat herkend en aangesproken. Zelfs al kom je ’s avonds laat met iets cultureels op Canvas. De reacties waren wel unaniem positief. En soms reageerde men erg verbaasd over mijn rustig en beleefd optreden (lacht). Het was fijn om ook eens uit de muziekscene te stappen. Ik mocht ook mee de gasten kiezen, zoals schilder Luc Tuymans. Toen ik niet meer mee mocht beslissen over de onderwerpen, ben ik er meteen mee gestopt. Momenteel ben ik nog een paar weken op Canvas te zien in het tv-luik van de ‘Toots Sessies’ en verder werk ik mee aan Belpop, documentaires over de Belgische popgeschiedenis. Als er in de toekomst nog een leuk voorstel komt, wil ik daar zeker over denken, maar ik hoef niet per se met mijn kop op tv te komen.”

Sfeermaker op Pukkelpop en Werchter

Veel mensen kennen Luc Janssen vooral als presentator van grote muziekfestivals. Hij presenteerde al jarenlang het Sfinksfestival in Boechout (het festival van de wereldmuziek) toen zijn goede vriend Chokri Mahassine hem in 1992 ook als presentator van Pukkelpop wist te versieren. Sindsdien tekende Luc op elke editie present. Ook Herman Schueremans had het talent van de welbespraakte Laakdalse muziekkenner opgemerkt en haalde hem naar Werchter. Luc nam er eerst het campingfestival voor zijn rekening, verhuisde het jaar erop naar de Marquee-tent om vervolgens de main stage te veroveren als opvolger van Guy Mortier. Negentien keer heeft Luc Janssen in Werchter de artiesten aangekondigd. Zo raakte hij soms bevriend met muzikanten die later wereldsterren zouden worden. Twee jaar geleden heeft hij een streep gezet onder het hoofdstuk Werchter. Met Pukkelpop is de band nog heel close, toch overweegt de presentator om over niet al te lange tijd ook daar de fakkel door te geven.

Luc Janssen: “Zo’n muziekfestival presenteren vind ik heel leuk. Het is voor mij nooit een moeilijke opgave geweest: ik ken al die groepen en artiesten die op de affiche komen, weet waarmee zij bezig zijn. Elk festival heeft zijn eigen karakter en daar op inspelen, het mee helpen uitbouwen, dat is boeiend.

Pukkelpop trekt een jonger publiek en brengt ook meer alternatieve muziek, daar kunnen de bezoekers nieuwe dingen ontdekken. Het is het eerste festival in België dat ook ‘dance’ een plaatsje gaf. Er wordt veel aandacht besteed aan het comfort van het publiek. Ik heb daar de afgelopen jaren ook zo’n beetje stijlcoach mogen spelen om het leuker en gezelliger te maken. Je hoeft er niet op de grond te zitten om te eten, er zijn tafels en banken, je kunt er een heel assortiment aan bieren drinken uit een glas in plaats van alleen pils uit plastic bekers. Er is een saloon, een kermis met reuzenrad… Soms komen ouders gezellig mee met de kinderen en iedereen amuseert zich. Werchter is een traditioneler festival, met grotere namen. Het is commerciëler van opvatting en je merkt dat ook backstage. De contacten zijn formeler, veel minder gemoedelijk.

Het publiek en de muziek zijn in al die jaren uiteraard ook veranderd. Dit jaar heb ik voor het eerst op Pukkelpop een paar keer het gevoel gehad dat ik de nieuwste muziek, waar de twaalfjarigen mee dwepen, niet meer begreep. Dat is natuurlijk gezond, want als ik die als zestiger nog tof zou vinden, zou er iets mis zijn met mij. Wat na al die jaren een diepe indruk blijft maken is het sterke groepsgevoel dat ontstaat op zo’n massagebeuren. Tachtigduizend mensen voor het podium zien staan en beseffen dat je met je woorden mee de sfeer stuurt, dat geeft een heel apart gevoel. De band is veel directer en intenser dan over de radio. Het jaar na het rampzalige noodweer van 2011 werd er op het hele terrein en ook in de omgeving 1 minuut stilte gehouden ter nagedachtenis van de slachtoffers. Zo’n minuut gaat als een straaljager door je ziel. Een heel bijzonder moment dat mij altijd zal bijblijven.”

Troonopvolgers klaarstomen

Je neemt stilaan afscheid van de vertrouwde festivalpodia. Op de radio heb je de rol van rebelse pionier ingeruild voor die van wijze raadsman. Koester je stiekem dromen die nog vervuld moeten worden? Of ben je in het geheim hobby’s aan het kweken die na je pensionering tot bloei kunnen komen?

Luc Janssen: “Wie denkt dat ik nog grootse prestaties zou willen leveren slaat de bal mis. Er staan nieuwe mensen klaar om de dingen over te nemen op de radio en op het podium. Met mijn kennis en ervaring kansen helpen creëren voor hen, dat vind ik leuk om te doen. Het doet me ook veel plezier dat mijn oudste zoon Eppo op de radio en op Pukkelpop in mijn voetsporen getreden is en daar intussen beter in geworden is dan ik ooit geweest ben. Al even trots ben ik op Pim, de jongste, die gedreven met sport bezig is en op Jasper, die het goed doet in de modewereld. En voor de rest wil ik met de kleinkinderen dingen ondernemen die ik vroeger leuk vond. Hen meenemen naar musea en optredens, dat ook ja. Ik heb nooit hobby’s gehad. Mijn gezin is altijd mijn hobby geweest en dat zal zo blijven.”

De ervaren interviewer van grote namen uit de muziek rondt zo het gesprek bedreven af met een zachte noot die als een coda in het oor blijft hangen. Het fenomeen Luc Janssen kreeg in de loop der jaren ettelijke labels opgeplakt, gaande van ‘cynisch enfant terrible’ over ‘revolutionaire vernieuwer van de muziekscene in de Lage Landen’ tot ‘bompa rock ’n roll’. Hij is dan ook onmogelijk onder één hoedje te vangen. Wij mochten hem vooral ervaren als veelzijdig onderlegd en onderhoudend causeur, stukken aimabeler dan zijn dwarsliggend imago. Met hem als spreker van dienst wordt die academische zitting op het Pius X College een belevenis. Indommelen uitgesloten.

(Interview: Luce Rutten, foto: Danny Louwet) In: Boerenbelang, november 2014.

Advertenties